Pagina's

zondag 16 februari 2014

16. Antropologische bijvangst bij kwantitatief straatwerk

Een sociologisch bijbaantje is een utopisch streven dat me vorig jaar min of meer in de schoot werd geworpen door Thomas, een gedreven en charmante sociologie-student die een jaar boven mij zat. Hij liep stage bij een onderzoeksinstituut en was opzoek naar veldwerkers (mensen die data verzamelen). Beloften: geld, ervaring opdoen in sociologisch veldwerk én een paar weekenden met collega's logeren in een B&B in 't zonnige zuiden van het land. Wat het ook voor onderzoek was, ik zei ja.
Diezelfde week nog belde hij me op met de vraag of ik nu even langs kon komen voor een sollicitatiegesprek. Ik trok een t-shirt met gekke print aan en sprong op de fiets. Al fietsend lichtte Thomas me in over details over de baan. De week ervoor was ik afgewezen voor een baan als student-assistent, omdat ik had zitten chatten met m'n zusje in plaats van me had ingelezen. Dat zou me deze keer niet weer gebeuren.
Nog half overvallen door de verrassing van deze kans zat ik twintig minuten later in het kantoor van onderzoeksleider Klaas. Een man van mijn vaders leeftijd, met een doorrookte stem en een ketting van frisdrankblikjes-lipjes. Ik maak geen grapje. Mijn t-shirt met gekke print was totaal niet ongepast in deze setting. Naast mij zat Thomas, wat een enorm verlichtende factor was voor de gebruikelijke sollicitatiespanning.
Eerste vraag van Klaas: “Ben jij een beetje assertief?” Meende hij dat nou? Had hij me wel eens ontmoet? Oh nee. “Ja, dat zou ik wel willen zeggen ja”. Tweede vraag: “Spreek je een beetje straat?” Laat me even denken. Ik ben opgegroeid in Zeist, zat op een redelijke kak school. Straat? Niet echt lijkt me. Maar ach, wie bluft er niet tijdens een sollicitatiegesprek? “Nou dat kan Thomas misschien beter vertellen. Dat is zo gek om over jezelf te zeggen” was mijn deftige respons. Waarop Thomas zei: “Ik denk wel dat ze voldoende straat spreekt voor 't veldwerk.” Aangenomen.

Het ging om een longitudinaal onderzoek naar de veranderingen van de softdrugsmarkt in de gemeenten in Nederland waar een proef werd gedraaid met een aangepaste opiumwetgeving, waarbij, middels enquêtes, frequente en enigszins frequente softdrugsconsumenten ondervraagt werden over hun koop- en consumptiegedrag en de veranderingen daarvan naar aanleiding van de gewijzigde regelgeving. In normaal feesten en partijen Nederlands: onderzoek doen naar de wietpas in het grenschede en andere gehuchten ver buiten de ring. Zo kwam het dat ik de winkelcentra van onder andere Sittard, Eindhoven, Den Bosch, Geleen, 'Remunj', Venlo en dat ene gehucht in Brabant met een W leerde kennen.

Hoewel het dus een kwantitatief onderzoek was (met cijferlijke uitspraken), leverde dit baantje behalve veldwerk ervaring ook allerlei onbedoelde antropologische bijproducten op: kennis over levende mensen. Ik heb bijvoorbeeld geleerd dat je in Brabant 'houdoe' zegt als afsluiting van het gesprek en in Limburg 'hoihè'. Let op: om belediging te voorkomen dienen deze twee begroetingen niet door elkaar gebruikt te worden. De slogan van Venlo is Venlove en in Limburg drinken ze koffie met slagroom en soms zelfs een advocaatje.
Ik heb een speciaal oog ontwikkeld om drugsgebruikers uit een mensenmenigte te selecteren. Ik weet wie ik wel en niet kan aanspreken, waar ik kans maak op respons. Kakkers, jong en oud, gebruikend of niet, zijn vaak zeer beledigd na de openingsvraag: 'blowt u weleens?' Mensen met een burgerlijke uitstraling ook. Als een koppel samen aan het shoppen is, kun je aan het meisje zien of de jongen blowt. Gebruikers en oud-gebruikers zijn vaak vrij relaxte types. In tegenstelling tot de bekrompen anti-drugs types waarbij ik niet anders kan dan denken: hoelang heb jij al een stok in je reet? En de menselijke overwinning: daklozen, crackgebruikers, straatmuzikanten en stadsgekken zijn niet eng, maar vaak juist heel vriendelijk. 

Vanaf september 2013 werkte ik voor de tweede keer mee aan het onderzoek. Ik kan de vragenlijst inmiddels uit mijn hoofd en in hoog tempo oprakelen, ik leerde nog een paar 'steden' kennen en ik had het eerste en enige minder vriendelijke contact met een paar gebruikers: in Amsterdam zijn de zwervers mondiger dan in Roermond, zal ik maar zeggen. Het meewerken aan onderzoek was erg leuk, heeft spannende side effects, maar het repetitieve van kwantitatieve dataverzameling is op zichzelf vrij saai. Wederom is niks wat je van tevoren verwacht: het leukste is niet werken aan een onderzoek, maar schatten ontdekken die niet te voorspellen zijn. Thomas werd dit jaar vervangen door Christina, die vorig jaar nog slechts een veldwerk collega was en dit jaar een nieuwe schat van een vriendin. 

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten