Pagina's

zondag 18 januari 2015

Sporten is geen wedstrijd

Sinds ik in de master zit haal ik zessen. Op deze opmerking zijn slechts twee reacties te geven. Is je reactie 'joh je hebt het toch gehaald, waar zeur je dan over?', dan ben je type één, je hebt een gezond leven naast je studie of werk en het glas zit halfvol.
De andere reactie is: 'Hè wat kut voor je, heb je al feedback, weet je al hoe het komt?' Met deze reactie classificeer je jezelf tot type twee, je bent ambitieus, bereid offers te maken voor je doel, het glas moet vol, al moet je het zelf vol spugen. Drie keer raden met welk type mijn klas gevuld is.
Een zes is dus niet het gemiddelde cijfer van de klas. In tegendeel. Het ontbreekt er nog maar net aan dat je op gesprek moet komen als je niet cum laude koers voert. En aangezien ik een sociaal mens ben, zo heb ik geleerd op school, is het denkkader van mijn sociale omgeving bepalend voor hoe ik naar de wereld, en mijn prestaties, kijk. Met de derde zes op zak was ik geen goed gezelschap meer voor vriendinnen en hing ik geïsoleerd, hersendood op de bank Suits te kijken. Fijn, slimme mannen die wel hun werk goed konden doen.
Tot ik besloot hard te gaan lopen. Gewoon omdat ik niet gruwelijk achter liep met studeren en het eindelijk lekker weer was. En omdat mijn eerste vriendje altijd 'hardlopen' antwoordde op de vraag 'wat moet ik nou doen?!'
Sinds weken jogde ik weer de straat uit, gevolgd door de mij zo bekende stadia van de fysieke inspanning. De eerste vijf minuten is er niks aan de hand, daarna begint het grote debat in mijn bovenkamer. 'Hou even op joh, dit is niet natuurlijk' neemt het op tegen 'ja zo gaat 'ie lekker, kun je nog een tandje erbij?' Gevolgd door hun fractieleden 'nu moet je echt stoppen' tegen 'gewoon doorgaan niks, aan de hand'. Tot ze tegen elkaar schreeuwen: 'ik kan niet meer' tegen 'je bent een slapjanus als je nu stopt'.
Het fijne is dat er na ongeveer twintig minuten stilte komt in de bovenkamer. Ik laat de muziek over me heen vloeien en ben opgehouden met overwegen of ik stop of doorga. Mijn gedachten zijn niet stil, maar drijven als wolken voorbij. Niet boos maar energiek.
Tegen die tijd ben ik ongeveer halverwege mijn rondje en begin ik plannen te maken voor als ik thuis ben. 'Ik wil dat boek nog lezen, dat is veel beter dan tv kijken. Zou mijn zusje al beter zijn, ik moet haar even bellen. Hoe zou de sollicitatie van mijn vriendin gegaan zijn? Weet je wat, dit jaar neem ik mijn cadeau-moeder eens mee uit naar het toneel. Dat zal ze leuk vinden'.
Tijdens deze fase bedacht ik me ineens dat sporten best veel lijkt op studeren. Of liever gezegd, de manier waarop ik sport lijkt op hoe ik studeren eigenlijk ook zou moeten zien.
Ik was nooit de beste in sporten. Ik heb er niet per se het ideale lichaam voor en ik heb het niet vanaf jongs af aan geleerd of gedaan. Sinds ik sport zat ik in een goed team maar niet het beste, we trainde hard maar niet het hardste. Op het moment train ik voor de halve marathon, niet de hele.
Een wedstrijd gaat dan ook niet om het winnen, maar om tevreden over de streep komen. Tevreden omdat je weet dat je alles uit jezelf hebt gehaald wat er in zat. Je moet de omstandigheden accepteren en zorgen dat je je ploeggenoten kunt aankijken, terwijl je weet: we hebben er vandaag alles uitgehaald wat erin zat.
Je prestaties in een wedstrijd hangen af van drie componenten. Het aantal trainingen, jouzelf en het veld, i.e. de mensen tegen wie je het opneemt. Ikzelf ben niet veranderd sinds de master. Het aantal trainingen is flink omhoog gegaan maar het veld is ook terdege een niveau gestegen.

Ik sport niet omdat ik de illusie heb dat ik als eerste over de finish ga komen en ik maak daar ook niet mijn doel van. Ik sport omdat het waanzinnig gaaf is om te merken wat trainingen met me kunnen doen. Dat ik harder ga, dat dezelfde inspanning me minder energie kosten, dat ik beter word. Zo zou ik studeren ook moeten zien.  



Geen opmerkingen:

Een reactie posten