Pagina's

zaterdag 31 oktober 2015

Kantoormensen zitten niet in de etalage

Nu ik heb besloten me bij de burgers aan te sluiten, moet ik zorgen dat ik één van hen word. Tenminste parttime. En zoals Paul Verhaeghe schrijft in zijn boek Identiteit: “Identiteit zit aan de buitenkant”. Wil ik dus de burgeridentiteit omarmen, moet ik me hullen in de burgerkleren. Of eigenlijk, kantoorkleding, want dat is waar ik mijn burgeridentiteit wil tonen. Maar wat moet ik aan?

Ik ben nooit een held geweest met kleren. Ik heb tot mijn tiende geweigerd meisjeskleren te dragen. Meisjeskleren vind ik doorgaans nog steeds behoorlijk stom. Overal zitten glitters en vaak ook nog op plekken waar geen glitters of strikjes moeten zitten als je ermee in bomen wilt klimmen.
Tijdens de puberteit begon ik langzaam te wennen aan meisjeskleren, maar mijn garderobe heeft vooral baat gehad bij twee fashion-ontdekkingen: de afdeling 'basics' en het feit dat het totaal geaccepteerd is om veel zwart te dagen, ongeacht de duizelingwekkend vaak veranderende modetrends. Zwart is chic, stoer én het kleed af.
Derhalve was afgelopen tien jaar mijn outfit vrij basic: All Stars, spijkerbroek, t-shirt en vest. Bij gelegenheden een zwart jurkje. Op je werk moet je echter vaak iets anders aan. Iets netters, maar niet té net. Iets dat uitstraalt dat je ergens bij hoort en hoeveel je verdient. Bij veel horeca gelegenheden krijg je bedrijfskleding. Toen ik bijvoorbeeld in een ver verleden werkte bij het pannenkoekenhuis, bestond het personeel uit het blauwe leger (blauwe polo's van de bediening) en het witte leger (witte kokskostuums van de keuken).
Maar ook als je geen bedrijfskleding krijgt, kan je toch bedrijfskleding aan moeten. Stiekem. Voor mijn outfit bij mijn eerste baantje in de kaaswinkel kon ik tenminste nog gewoon langs fietsen om te zien wat ze aan hadden, met als gevolg dat ik heel toevallig een zwarte broek en een wit t-shirt aan had op mijn eerste werkdag. Maar, kantoormensen zitten niet in de etalage.
Hier dus een waardevolle tip voor iedereen die solliciteert op een baan en denkt dat 'ie een kans maakt op de baan: maak even een korte notitie van wat mensen op dat kantoor aan hebben als je er op gesprek bent. Dat ben je namelijk spontaan vergeten de avond of ochtend voor je eerste werkdag.

Gelukkig ben ik niet de enige die dit ingewikkeld vindt. Een vriend van mij had op zijn eerste dag op kantoor een das om, die hij na een paar uur observatie toch maar afdeed. En dat terwijl hij het nog makkelijk heeft: hij is een man. Mannen kunnen kiezen uit spijkerbroek of geen spijkerbroek (pantalon), overhemd (wit of licht blauw is altijd veilig) en jasje dasje. Mannen kunnen voor chic gaan met een pak en als ze hun jasje uit en das afdoen ineens heel casual zijn.
Voor vrouwen ligt het iets moeilijker. Alleen de jurk al heeft zoveel valkuilen. Het is slechts één kledingstuk, maar boy wat kan er een hoop misgaan met één kledingstuk. Te diepe hals, te hoge kol, te veel kleur, te weinig kleur, te korte rok, te lange rok, te koud, te warm, te strak of te wijd. Ga je niet voor de jurk, wat dan? Een pantalon (in mijn wereld nog steeds alles wat niet een spijkerbroek is) is oké, zit ook prima overigens, maar wat daarop? Een t-shirt? Een trui? Wat voor trui? Een vest, maar wat daaronder dan? Een blouseje? Voor vrouwen is dat dan wel al snel een stuk formeler dan voor mannen. Het moge duidelijk zijn waarom ik niet de fashion in ben gegaan.
Christina had hetzelfde probleem en min of meer dezelfde ervaring toen zij begon met werken (god dank een paar maanden voor mij waardoor ze me wat adviezen kon geven: nee die schoenen niet, en die broek is te vaal). Christina heeft bovendien een extra geluk: zij moet elke ochtend met de trein naar haar werk. In de spits dus. Zij heeft dus alle tijd om naar werkende mensen te staren. De eerste weken stond ze tussen hen in en dacht constant: ‘ik hoor hier niet bij, zij zijn allemaal echte werkende mensen, ik doe slechts alsof. Kijk alleen al naar die schoenen en die tassen dan!’ Maar aangezien ze op een kantoor werkt waar de baas Tommy Hilfiger sokken draagt, moest zij er ook aan geloven.

De maandag na de storting van haar eerste salaris stond ze weer op het station en dacht ze nog steeds 'dit zijn de echte werkende mensen, ik doe maar alsof'. Het verschil was dat die mensen het waarschijnlijk niet meer terug dachten: ze zag er namelijk precies uit zoals zij. Kantoormensen zitten niet in de etalage. Hun modeshow is op het perron.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten